Uitspraak Raad van State over bestemmingsplan Buren

Uitspraak

Op 20 april 2005 heeft de Raad van State uitspraak gedaan over de vraag of voor het storten van bagger in de Ingensche Waarden een simpele aanlegvergunning nodig is of een complexere bestemmingsplanwijziging.

Red de Betuwe! is zeer gelukkig met de uitspraak van de Raad van State, dat een bestemmingsplanwijziging vereist is, omdat daardoor de burgers van Buren een grotere rol kunnen spelen.

Onderstaand ziet u een ingekort uittreksel van de uitspraak van de Raad van State voor zover het de Ingensche Waarden betreft.

Zaaknummer:200402715/1

Publicatie datum: woensdag 20 april 2005

Tegen: het college van gedeputeerde staten van Gelderland

Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig

Rechtsgebied: Kamer 1 - RO - Gelderland

200402715/1.
Datum uitspraak: 20 april 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],
2. [appellanten sub 2A], wonend te [woonplaats],
[appellante sub 2B], gevestigd te [plaats],
[appellante sub 2C], gevestigd te [plaats],
[appellante sub 2D], gevestigd te [plaats],
[appellante sub 2E], gevestigd te [plaats],
en de commanditaire vennootschap "Skinspark Nederland C.V.", gevestigd te Lienden,
3. de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid "Ingensche Waarden B.V." en "Biesbosch B.V.", gevestigd te Vught,
4. [appellanten sub 4], gevestigd te [plaats],
5. de stichting "Stichting Milieuwerkgroep Buren en omstreken", gevestigd te Buren,
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2003 heeft de gemeenteraad van Buren, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6 mei 2003, het bestemmingsplan "Uiterwaarden Buren 2002" vastgesteld.
Verweerder heeft bij zijn besluit van 6 januari 2004, kenmerk RE2003.56847, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.
Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij faxbericht van 30 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, appellanten sub 2 bij faxbericht van 6 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, appellanten sub 3 bij brief van 6 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2004, appellante sub 4 bij brief van 6 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2004, en appellante sub 5 bij brief van 13 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2004, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 4 mei 2004.
Verweerder heeft bij brief van 24 mei 2004 meegedeeld dat geen verweerschrift wordt uitgebracht.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 27 september 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 3 en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2005, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door mr. W.J.M. van Ophuizen, advocaat te Lienden, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. E.A.M. van Gaal-Gerritsen, advocaat te Tiel, appellanten sub 3, vertegenwoordigd door mr. M.R.J. Baneke, advocaat te Nijmegen, appellante sub 4, vertegenwoordigd door J.B. van Mourik, gemachtigde, appellante sub 5, vertegenwoordigd door A. Hermkes en J.T. Wildschut, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door E. Waterval en H.A.A. Stakenburg, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.
Voorts is daar gehoord de gemeenteraad, vertegenwoordigd door J.G. van Doorn en E. van Wijk-van Dam, ambtenaren van de gemeente.

2. Overwegingen

Beroep tegen onthouding van goedkeuring aan artikel 6, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften (baggerstort)
Standpunt appellanten
2.11. Ingensche Waarden B.V. en Biesbosch B.V. hebben in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 6, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften op grond waarvan op gronden met de bestemming "Natuurlijk uiterwaardgebied" een aanlegvergunning is vereist voor onder meer het storten van baggerspecie. Zij stellen dat de motivering van verweerder aangaande de strijdigheid met de doeleindenomschrijving niet duidelijk is. Verder stellen zij dat na een MER-onderzoek in het begin van de jaren negentig de Ingensche Waard binnen de provincie als vierde kansrijke bergingslocatie geldt. In dit verband menen zij voorts dat het MER-besluit voor baggerstortactiviteiten niet op de vaststelling van een bestemmingsplan van toepassing is, zodat geen MER voorafgaand aan dit plan hoeft te worden gemaakt. Daarnaast stellen appellanten over de grootte van het baggerstortgebied dat verweerder in strijd met de rechtszekerheid niet heeft aangegeven in welk gebied (Ingensche Waard) de baggerstortactiviteiten dan wel mogen plaatsvinden. Tenslotte stellen zij dat de voorwaarde van een toets aan de beleidslijn niet al in de planvoorschriften hoeft te worden opgenomen, bij de vergunningverlening kan deze toets door het college van burgemeester en wethouders worden verricht.
Het bestreden besluit
2.11.1. Verweerder heeft artikel 6, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften in strijd met het recht en in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Volgens verweerder zijn de hierin mogelijk gemaakte werkzaamheden in strijd met de doeleindenomschrijving. Verder stelt verweerder dat de Ingensche Waard in het provinciale beleid als een van de mogelijke bergingslocaties voor baggerspecie is opgenomen. Het MER-onderzoek over het baggerdepot in de Ingensche Waard is nog niet afgerond. Na afronding van het MER kan worden bezien of het baggerspeciedepot middels een planherziening kan worden geregeld, aldus verweerder. Daarnaast stelt hij dat de planvoorschriften baggerstort mogelijk maken in een groter gebied dan de Ingensche Waard. Tenslotte voorzien de aan de orde zijnde planvoorschriften niet in een toets aan de beleidslijn, terwijl de werkzaamheden die mogelijk zijn door het verlenen van een aanlegvergunning zouden kunnen leiden tot waterstandsverhoging of belemmering voor toekomstige vergroting van de afvoercapaciteit, aldus verweerder.
Vaststelling van de feiten
2.11.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.
2.11.3. Ingevolge artikel 14 van de WRO voorzover hier van belang kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders, voor zover zulks noodzakelijk is:
a. om te voorkomen dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming;
b. ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte bestemming als bedoeld onder a.
2.11.4. In de doeleindenomschrijving van artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat de op de plankaart voor "Natuurlijk uiterwaardgebied" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. instandhouding dan wel herstel en ontwikkeling van de natuurwaarden en de landschappelijke waarden die eigen zijn aan een natuurlijk uiterwaardgebied;
b. grondgebonden agrarische productie;
c. watergangen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
d. extensief dagrecreatief medegebruik,
met dien verstande dat de gronden tevens zijn bestemd voor de op de plankaart eveneens aangegeven dubbelbestemmingen.
Ingevolge artikel 6, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften is het verboden binnen de bestemming "Natuurlijk uiterwaardgebied" de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (Aanlegvergunning):
a. werken en werkzaamheden die direct zijn gericht op het storten, deponeren of op andere wijze opslaan van baggerspecie, grond, puin of afvalmaterialen, voorzover deze van elders zijn aangevoerd.
Het oordeel van de Afdeling
2.11.5. Uit artikel 14 van de WRO volgt dat een vereiste van aanlegvergunning niet mag worden gesteld voor werken of werkzaamheden die in strijd zijn met de bij het bestemmingsplan gegeven bestemming.
Artikel 6, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften maakt het opslaan van baggerspecie met een aanlegvergunning van het college van burgemeester en wethouders mogelijk. Gelet op de doeleindenomschrijving van artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften is dit gebruik op de gronden met de bestemming "Natuurlijk uiterwaardgebied" in strijd met deze bestemming. Daarbij wijst de Afdeling op het bepaalde in artikel 33, eerste lid, van de planvoorschriften voorzover hier van belang waarin voor de gronden van het plangebied een gebruiksverbod is opgenomen terzake van het gebruik voor een doel of op een wijze strijdig met de in dit plan aan de gronden toegekende bestemming.
Gelet op het vorenstaande is artikel 6, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften in strijd met artikel 14 van de WRO. Verweerder heeft daarom terecht goedkeuring onthouden aan artikel 6, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften. De overige beroepsgronden van Ingensche Waarden B.V. en Biesbosch B.V. behoeven geen behandeling meer.
Gelet op het voorgaande is het beroep van Ingensche Waarden B.V. en Biesbosch B.V. ongegrond.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
IV. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], Ingensche Waarden B.V. en Biesbosch B.V. en [appellante sub 4] geheel en het beroep van appellanten sub 2 voor het overige ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.
w.g. Kosto w.g. Verbeek
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005
388-447.